PrEP

Toen een kennis naar San Francisco verhuisde, regelde hij, nog voordat hij vaste woonruimte had, een recept voor de hiv-preventiepil PrEP. ‘No more condoms,’ schreef hij op Instagram opgetogen bij een foto van het doktersrecept.

‘Wat is er mis met een condoom?’ vroeg ik. In de reacties onder de foto ontstond vervolgens een vinnige discussie, met als voornaamste conclusie dat ik een domme vraag had gesteld. De kennis in kwestie ontvriendde me daarna op Instagram en ik was die onplezierige discussie rondom PrEP-gebruik snel weer vergeten.

Echter, zoals het met bijna alle ontwikkelingen in Amerika gaat – zie ook de Pumpkin Spice Latte of Ariana Grande – waait het uiteindelijk over naar Europa. En zo is de PrEP-discussie hier alsnog aangekomen. Het Aidsfonds roept op om PrEP gratis te verstrekken. Een Engels experiment met PrEP-gebruik rapporteert een flinke daling nieuwe hiv-geïnfecteerden. Dat klinkt veelbelovend. Toch zie ik een virusje onder het gras.

Dat virusje heet syfilis. Uit hetzelfde experiment blijkt dat onder de PrEP-gebruikers het aantal syfilis-besmettingen gelijk blijft, terwijl je syfilis grotendeels met een condoom kunt voorkomen. Dat vergt alleen een ongemakkelijk gesprekje met je bedpartner, want verder zijn condooms gemakkelijk verkrijgbaar in elke supermarkt. Ze zijn goedkoop, beschikbaar in allerlei formaten en indien gewenst zijn er zelfs condooms met aardbeiensmaak. Al smaken verse aardbeien beter, dat geef ik toe.

Helaas blijkt PrEP voor sommige gebruikers een excuuspil voor onbeschermde seks. Voordat je roept dat deze uitspraak stigmatiserend is, en uitgaat van stereotypen over homoseksuelen: ik baseer mijn oordeel op uitspraken van menig openhartig PrEP-gebruiker in de media. Zij vertellen over hun vele wisselende contacten en de behoefte om zonder angst onveilige seks te hebben.

Een schrijnend voorbeeld stond in de laatste L’HOMO onder de weinig subtiele titel ‘Mijn jaar als PrEP-slet’. Ter illustratie een paar quotes: ‘Beschermd door mijn dagelijkse pil voelde ik me één groot chemisch condoom’. En: ‘In mijn jaartje PrEP heb ik mijn hele bingokaart aan seksueel overdraagbare aandoeningen bij elkaar gespeeld’. Noem mij braaf, voor mijn part zelfs preuts, maar het gratis verstrekken van PrEP (kosten: 18 euro per dag) komt op mij over als een subsidie op sletterigheid.

Bovendien vergt het best wat lef om onbeschermde seks te hebben met deze PrEP-gebruikers. Als een sekspartner het namelijk onnodig vindt om zichzelf met een condoom te beschermen tegen allerlei soa’s, durf je er dan op te vertrouwen dat diezelfde persoon consequent z’n pilletje slikt?

Maar goed, dat is ongetwijfeld een domme vraag.

Dit stukje schreef ik voor Gay.nl

Blijf op de hoogte van nieuwe stukjes via Facebook of Twitter.

L’HETERO

Op de Kalverstraat in Amsterdam is maandagavond aan Linda de Mol het eerste exemplaar van L’HETERO uitgereikt door Paul de Leeuw. Paul had bewust Linda gevraagd om het tijdschrift in ontvangst te nemen. ‘Linda de Mol is het boegbeeld van alle heteroseksuelen,’ zei Paul daarover.

De Leeuw zegt het blad aan heteroseksuelen te hebben gewijd omdat ‘het nog steeds nodig is’. Dat is ongetwijfeld waar: anders dan homoseksuelen kunnen heteroseksuelen niet opboksen tegen de idealen van schoonheid, het najagen van je dromen en een vrije seksuele moraal. ‘Je kunt dat de hetero’s onmogelijk kwalijk nemen,’ vindt Paul. ‘Met een druk gezinsleven naast een baan, blijft er geen tijd over voor sporten of hobby’s. En vanwege de kinderen wordt niet geaccepteerd dat je af en toe met een andere partner slaapt. Heteroseksualiteit is een vreselijk keurslijf.’

Op de cover van het blad prijkt een pikante foto, waarop een poedelnaakte Claudia de Breij zoenend in de branding staat met Gordon. Gordon zei meteen ja toen hij werd benaderd door de bladenmakers. ‘Ik vind het een eer. Door op de cover te gaan staan draag ik mijn steentje bij aan de acceptatie van hetero’s. In de media schilderen ze hetero’s vaak af als gewoontjes. In de huidige metroseksuele cultuur hebben ouders nog liever een kind dat crimineel is dan hetero. Ik vind dat iedereen zich fijn moet kunnen voelen.’ Het is niet de eerste keer dat Claudia en Gordon met elkaar zoenen, verklapte Claudia. ‘We kussen elkaar altijd drie keer op de wangen als we elkaar tegenkomen.’

Een opvallend item gaat over Thomas Berge, die er eenmaal spreekt over zijn heteroseksualiteit. ‘Ik heb te lang een dubbelleven geleid,’ zegt Thomas in het openhartige interview. Hij vertelt over zijn geflirt met homoseksualiteit, en zijn worsteling met het leven als hetero. Verder heeft het blad een spraakmakend verhaal over heteroseksuele ontwerpers: een taboe in de modewereld.

Een enkeling heeft kritiek op het blad. ‘Voor mij als hetero is het anders als je hetero’s met elkaar ziet zoenen. De coverfoto is een toneelstukje van een lesbienne met een homo,’ zegt Johan Derksen. Voor hem zit het pijnpunt ook in het gevoelsleven. ‘Claudia en Gordon weten niet hoe het is dat er openlijk op hetero’s wordt neergekeken’.

Tout hetero Nederland was aanwezig om de launch van de L’HETERO te vieren. Paul De Leeuw benadrukte dat het blad ook voor homo’s leuk is om te lezen.

Dit stukje bestaat grotendeels uit allerlei quotes over het blad L’HOMO. Ik heb ze omgeschreven alsof het blad over hetero’s gaat. Ik stoor me al jaren aan het blad L’HOMO en de vreemde kijk op acceptatie van homo’s, en met dit stukje wil ik duidelijk maken hoe stigmatiserend het blad eigenlijk is.

Blijf op de hoogte van nieuwe stukjes via Facebook of Twitter.

Adonis

Eindelijk begrijp ik waarom het magazine L’Homo maar één keer per jaar wordt uitgegeven. In deze frequentie zijn alle lezers bij het uitkomen van het nieuwe nummer vergeten hoe onorigineel dat blad is. Dat herinner je je pas weer als je al € 5,95 hebt uitgegeven en thuis het blad nietsvermoedend openslaat.

Bij het verschijnen van de eerste L’Homo was het nog spraakmakend: een hetero halfnaakt op de cover van een homoblad. Volgens mij is Arie Boomsma na het verschijnen van die cover (en de aansluitende schorsing bij de Evangelische Omroep) pas echt in de top der Bekende Nederlanders doorgedrongen. Dat succes wil de derderangs televisiester Rick Brandsteder overduidelijk kopiëren door in zijn onderbroek op de cover te gaan. Vlak onder Rick’s kruis heeft de redactie ter verduidelijking het woord ‘adonis’ in hoofdletters afgedrukt. Vermoedelijk omdat het anders niemand opvalt. Rick vindt zichzelf zeer geschikt als boegbeeld voor de homogemeenschap, want hij ziet veel overeenkomsten tussen zichzelf en homo’s. ‘Jullie houden toch ook zo van sex?’ vraagt hij verklarend in het begeleidende interview bij de fotoreportage.

Sex. Daar lijkt L’Homo, net als in alle voorgaande edities, op gefixeerd. In haar editorial vertelt Linda over het mannen-menage-a-trois, dat volgens haar heel gangbaar is als samenlevingsvorm onder homofielen. Vreemd genoeg bestaan alle homo-stelletjes die ik ken uit twee personen, in plaats van drie. Het diepte-interview met Gerard Joling bestaat uit een lang seksblokje waarin Gerard deelt dat hij de Brazilianen het lekkerst vindt in bed. En Kay Nambiar poseert als jaren zeventig-pornoster met witte sportsokken aan.

Het enige onsexy artikel gaat over de onfrisse en onsmakelijke kantjes van anale sex. Dat is ook meteen het enige artikel waarin ik mezelf als homo herken, wat nogal mager is voor een lijfblad voor homo’s. Ik heb een monogame relatie met één man, en zelfs nog nooit nagedacht om een derde partner in huis te halen. Ondanks alle aandacht voor gezichtcrèmes en afgetrainde lijven, zijn de meeste homo’s die ik ken totaal geen ijdeltuiten. De focus van L’Homo ligt op afwijkingen en sensationele uitspattingen want dat verkoopt natuurlijk beter. Ik maakte me zorgen of zo’n glossy daarmee geen afbreuk doet aan de verdraagzaamheid voor homoseksualiteit.

Gelukkig vond ik het antwoord op die vraag in een hoopgevend artikel achterin de L’Homo: er zijn dertienjarigen op de middelbare school die openlijk uitkomen voor hun homoseksualiteit. In mijn tienertijd was dat volkomen ondenkbaar. Misschien komt het toch allemaal goed met de wereld.

Zurigheid

Vroeger stond ik in mijn vriendenkring bekend om mijn valse nichtenhumor. Qua uiterlijke schoonheid of studieresultaten blonk ik niet uit. Mijn onopvallendheid compenseerde ik ruimschoots door op feestjes luidruchtig vileine grappen over anderen te maken. Het soort grappen waarvan Geer en Goor hun handelsmerk hebben gemaakt.

Die humor was geboren uit onzekerheid, een eigenschap waar de meeste tieners mee behept zijn. Ik kan je verklappen dat als gevalletje ‘boy next door’, het bepaald niet goed is voor je zelfvertrouwen als je omringd bent met de stereotype homoseksuelen met afgetrainde lijven, compleet met modellengezichtje en een perfect gemodelleerd kapsel naar de allerlaatste trend. Ik begreep maar al te goed dat zelfs als ik elke dag fanatiek in de gewichten hing en gorilla-achtige spierbundels ontwikkelde, er op die imposante borstkas nog altijd mijn eigen doorsnee hoofd zat. Een hoofd met genoeg rimpels, puistjes en rare trekken om onzeker over te zijn. Dus maakte ik volop grappen die leeghoofdige ‘poedernichten’ met hun queeste om voor eeuwig strak en beeldig te blijven. Tot op de dag van vandaag maak ik volop grappen waarmee ik anderen belachelijk maak.

Pas geleden ontdekte ik waarom ik eigenlijk zulke harde grappen maak. Ik kwam tot dat inzicht na het lezen van een interview met Erwin Olaf in L’Homo. Erwin vertelt dat hij merkte dat hij steeds grimmiger werd, en dat hij dit deed zodra hij het gevoel had gepest te worden. Mijn gewoonte om gemene grappen te maken heb ik ontwikkeld toen ik gepest werd op de middelbare school. Met een grap ten koste van een ander leidde ik slinks de aandacht van mijzelf af. Mijn valse nichtenhumor maakt van mij – bij vlagen – een regelrechte pestkop.

Het is vreemd dat ik tegenwoordig dat zelfverdedigingsmechanisme tegen pesterijen nog gebruik, want ik word nooit gepest. Uiterlijkheden zijn steeds onbelangrijker voor me. Dat is een van de voordelen van ouder worden: je legt je neer bij het vel dat gaat steeds meer hangen, en de kaalheid op je hoofd die alleen nog gecompenseerd wordt door lange haren in je neus en oren. Desondanks, zit ik beter in mijn vel dan ooit. Dus bedacht ik me, dat het ongepast is om me nog langer te gedragen als een oude, verbitterde man. Er is geen reden meer voor zoveel zurigheid. Ik heb me voorgenomen om minder valse grappen te maken. Het uiterlijk verval mag dan zijn ingetreden, ik ben nooit te oud om te leren.

Stijlbreuk

Vorig jaar had ik me vurig voorgenomen om L’Homo nooit meer te kopen. Dit jaar voelde ik me verplicht tot aankoop omdat de Gay Krant failliet is. L’Homo is het enige doelgroepblad dat er voor mij is overgebleven. Gelukkig komt het blad maar één keer per jaar uit. Ik moet er niet aan denken om het maandelijks te lezen, want voor een homoglossy heeft het verdomd weinig allure.

Dat is vooral de schuld van Johannes Rypma, de matig getalenteerde rockzanger uit Friesland, die door onterecht uitzinnige tienermeisjes de finale van The Voice of Holland werd in gestemd.  Zo’n boerenkinkel kun je uit de klei trekken en in een verleidelijke pose op een zonnig strand leggen, echt kloppen doet zo’n plaatje niet. Alsof je een bikinishoot met Doutzen Kroes situeert in een boerenkeet met varkensmest op de achtergrond. De styling van Johannes helpt ook niet. Zijn helblonde haar is gecombineerd met gebleekte jeans, cowboylaarzen en kruisjeskettinkjes. De Billy-Idollook dus. En die is niet voor niets als sinds de late jaren tachtig uit de gratie geraakt.

Het hoofdartikel is een twaalf pagina’s tellend diepte-interview met Kees Tol. Op zich heb ik niets tegen Kees Tol. Toch vraag ik me af of de redactie echt niemand anders kon vinden. Iemand die meer in het leven heeft bereikt dan deelnemer zijn in ‘Wie is de Mol’ bijvoorbeeld. En zijn bekendheid verder te danken heeft aan de reallife-soap ‘De Zomer Voorbij’, waarin hij op vakantie gaan met bekende Volendamse vrienden die wel getalenteerd zijn, zoals Nick, Simon en Jan. Maar uit het interview blijkt dat Kees een van de vijf homo’s uit Volendam is. In het blad komt het thema ‘vissersmannen’ vaker terug dus dan is het redelijk logisch dat Kees gevraagd is. Het woord ‘palingsound’ krijgt een heel andere lading met zo’n Volendamse homo. Dus ik prijs me gelukkig dat Kees niet kan zingen.

Het blad is behalve het visgerelateerde thema vooral gevuld met cliche’s. Frans Molenaar en Joop Braakhekke mogen vertellen dat zij ‘nooit meer strak en beeldig’ worden. Het benadrukt maar weer eens het stereotype beeld dat homo’s ijdeltuiten zijn met een obsessie voor jong blijven. Op bladzijde 33 is er opeens een vreemde stijlbreuk: een foto van een biefstuk. Was er iemand vergeten om een blik bockworsten in te kopen? Of is dit een uiting van het out-of-the-box denken van de redactie? Ik word bijna nieuwsgierig naar de L’Homo van volgend jaar.

Tongen

Er zijn dingen die je liever niet wilt zien. Bijvoorbeeld Tygo Gernandt en Thijs Römer die vurig aan het tongen zijn. Dat heb ik ontdekt na het zien van de cover van L’Homo van deze maand. De kus van Thijs en Tygo is vrij vlezig omdat er zoveel tong zichtbaar buitenboord hangt. Wat verder niet helpt is dat ik bij het bestuderen van die foto er alsmaar gepassioneerde smakgeluidjes bij hoor.

Misschien is mijn afgrijzen stiekem ook een beetje afgunst. Mijn vriend houdt er namelijk helemaal niet van om in het bijzijn van anderen enige vorm van affectie te tonen. Een schalks knipoogje is in zijn ogen al een woest obsceen gebaar, als ik dat in het openbaar geef. Aan kleffe stelletjes op straat heeft hij een uitgesproken hekel. Hij vindt het smakeloos dat geliefden pal voor je neus uitgebreid speeksel uitwisselen. Zoveel preutsheid vind ik overdreven. Maar dat vind ik natuurlijk geheel uit eigenbelang.

Helaas is mijn vriend erg volhardend waardoor het mij ontbreekt aan eerste liefdesbehoeftes, zoals hand-in-hand over straat lopen. Ik vind het romantisch als een verliefd stelletje zo voorbij loopt. Mijn vriend ziet vooral de praktische bezwaren. ‘Hand-in-hand lopen is onprettig met ons grote verschil in lengte,’ zegt hij als ik hem wijs op anderen die dat wèl doen. Natuurlijk heeft hij daar gelijk in. Mijn voorstel was ook niet om hand-in-hand de Himalaya te gaan beklimmen. Het ging me meer om zo door een winkelstraat te wandelen. Maar zelfs daarvoor is hij niet te porren. Zijn redenatie is dat je hand-in-hand onmogelijk nog langzaam slenterende voetgangers kunt inhalen.

Ik geef het niet graag toe, maar ergens heeft mijn vriend een punt. Het overviel mij best een beetje toen ik plotseling die prominente tong van Thijs of Tygo zag op de cover van L’Homo. En soms raak ik dusdanig in de war van een intense zoen in ’n brave, Amerikaanse romantische comedy , dat ik op IMDB.com nakijk of ik misschien per ongeluk naar een soft-erotische pornofilm aan het kijken ben.

Het is trouwens typisch dat de meeste mensen hun ogen sluiten tijdens het zoenen. Blijkbaar willen we onszelf ook liever niet zien zoenen. Daarom heb ik het volgende lumineuze idee: als we collectief afspreken om weg te kijken als je anderen op straat ziet kussen, misschien kan ik mijn vriend dan overhalen om mij eens in het volle zicht te zoenen. Kom ik tenminste ook aan mijn trekken.

Jim

Schokkend nieuws: Jim Bakkum is een man geworden! Sorry, ik weet dat ik je overval met deze onthulling. In mijn herinnering was Jim ook nog steeds die slungelachtige jongen die in het eerste seizoen van Idols zich geen raad leek te weten met zijn lengte van een meter tweeënnegentig. Die vijftienjarige puberjongen die nog geen spoortje van baardgroei vertoonde maar ondertussen wèl de baard in zijn keel had. En die er eigenhandig voor zorgde dat half Nederland de laatste helft van 2002 ‘Isn’t She Lovely’ van Stevie Wonder permanent in zijn hoofd had.

Voor het geval je dit nieuws niet gelooft, kijk dan maar in de huidige editie van L’Homo. Daarin staat het bewijs in de vorm van een fotoreportage van Jim met weinig kleren aan. Je kunt daardoor goed zien dat hij inderdaad een volwassen is geworden. Voorzien van brede schouders, gespierde armen en weelderig borsthaar. Kortom, een man waarvan je zonder gêne hardop kunt zeggen dat hij woest aantrekkelijk is (tijdens Idols voelde dat een beetje ongepast).

Jim moet er zelf duidelijk ook aan wennen dat hij werkelijk is opgegroeid. Hij noemt het, helemaal in stijl met het vocabulaire van L’Homo, zijn ‘coming out’. Ten tijde van zijn deelname aan Idols was hij naar eigen zeggen ‘een plank met kleren aan’ van amper 71 kilo. Tegenwoordig sport hij regelmatig en door alle spiergroei is hij flink groter en zwaarder geworden. ‘Dat opgepompte gevoel na een training vind ik heerlijk,’ vertelt Jim. Dat begrijp ik volkomen want van de nieuwe, stoere Jim op de foto’s, krijg ik ook een prettig opgepompt gevoel.

Even lijkt L’Homo te vergeten dat Jim een idool wil zijn voor een meer volwassen publiek. Zelfs Jim’s huidige gewicht van 85 kilo wordt vermeld. Dat soort triviale feitjes vind ik meer geschikt voor het tienerblad Tina. Gelukkig is de obligate vraag over zijn lievelingskleur niet gesteld.

Alsof ik nog niet genoeg te verwerken had, staan in het begeleidende interview nog meer schokkende dingen. Terwijl ik dacht dat Jim’s carrière danig in het slop was geraakt, blijkt hij avond aan avond in uitverkochte zalen musicals op te voeren. En is hij verloofd met zijn vriendin. Allemaal grote mensen dingen.

Vertederd was ik door de bekentenis dat Jim even met Arie Boomsma had gebeld voor tips voor zijn workout. Hij wilde een maand voor de fotoshoot zijn lijf nog wat strakker krijgen. Diep van binnen is er gelukkig toch nog iets van dat lieve, onzekere puberjongetje overgebleven.