Schnitzelgate

Er is een hoop verontwaardiging over de laatste actie van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) maar om totaal verkeerde redenen. Als de NVWA werkelijk denkt dat de productnamen van de Vegetarische Slager tot verwarring leiden, dan onderschat zij het intellect van de Nederlanders. Voor wie precies is het onduidelijk dat een bakje ‘visvrije tonyn’ of een ‘vegetarische gehacktbal’ vlees noch vis bevat? Bovendien haalt de NVWA oude koeien uit de sloot. Dezelfde discussie is in 2012 al uitgebreid gevoerd. Toen had een CDA-kamerlid, overduidelijk bevangen door de salmonellabacterie of de gekke-koeienziekte, er bezwaar tegen dat vleesvervangers als ‘burgers’ of ‘schnitzels’ werden verkocht. Om deze ‘schnitzelgate’ werd even smakelijk gelachen. En daarna maakte iedereen zich weer druk over belangrijke zaken. Zoals de verkiezing van ‘plofkip’ tot het woord van het jaar van 2012.

Vorige week sommeerde de NVWA de Vegetarische Slager dus tot het aanpassen van die ‘misleidende’ productnamen. Meteen waren er geruchten dat het een gecoördineerde actie was van de ‘vleeslobby’. Om imagoschade voor de vee-industrie te voorkomen was de NVWA er als de kippen bij met een verklaring zij ‘een melding’ over de Vegetarische Slager in behandeling hadden genomen. Afkomstig van de keurslager uit Schubbekutteveen, schat ik zo in. Een enkele vleeslobbyist dus.

Daarom kom ik meteen uit voor mijn eigen verstrengelde belangen in deze discussie. Ik ben namelijk obligatiehouder van de Vegetarische Slager. Ik ben er financieel bij gebaat dat de Vegetarische Slager succesvol is. Al was het gunstige rendement van de obligaties voor mij een bijzaak. Ik, een fervent fan van frikandelen, investeerde namelijk in een ‘slagerij’ (de NVWA vindt het vast een verkeerde benaming) waar men vegetarische frikandelbroodjes ging produceren. Sinds deze in het vriesvak van de supermarkt liggen, eet ik geen frikandellen van vlees meer. Nu ben ik werkelijk vegetariër.

Alhoewel, daarover verschillen de meningen.

Mijn vriend heeft vanaf zijn geboorte nooit vis of vlees gegeten. Hij walgt van de producten van de Vegetarische Slager. De kipstuckjes, speckjes en de bratwurst mogen dan uit plantaardige ingrediënten bestaan, zie zien er uit als vlees. Of in het geval van de vegetarische paté die ik graag op mijn boterham smeer, ruikt het zelfs naar paté. Of ‘kattenvoer’ zoals mijn vriend het omschrijft. Hij wil, als rechtgeaarde vegetariër, absoluut geen vleesvervanger die doet alsof het vlees is. De replica’s van de Vegetarische Slager zijn dus vooral verwarrend voor de vegetarische consument.

Daar moet de NVWA eens werk van maken.

Blijf op de hoogte van nieuwe stukjes via Facebook of Twitter.

Nepnieuws

Soms lig ik wakker omdat ik pieker over wereldproblemen. De opwarming van de aarde, hongersnood, dat werk. Telkens als deze ingewikkelde problemen me boven het hoofd dreigen te groeien, dan pas ik een fijne, moralistische campagneslogan uit de jaren negentig toe van Postbus 51: ‘een beter milieu begint bij jezelf’.

Laatst heb ik deze methodiek nog toegepast op het fenomeen nepnieuws. Ik ben schuldig aan het verspreiden van nepnieuws, want ik vertel soms leugentjes om bestwil. Eerlijk gezegd ben ik er van overtuigd dat iedereen dat doet. Ter waterdichte bewijsvoering haal ik graag een gespreksvoorbeeld aan:
Iemand: ‘Hoe gaat het?’
Jij: ‘Goed!’
Nooit hoor je iets over huwelijksproblemen, of over dat iemands bestaan als ZZP’er minder rooskleurig is dan verwacht. Zoiets verzwijgen we, denk ik, allemaal in een terloops gesprek. Ergens verspreiden we dus allemaal een soort van nepnieuws. Niemand die dat controleert, tenzij je toevallig de president van Amerika bent die liegt over contacten met de Russen. Het enige dat ik kan doen tegen de verspreiding van nepnieuws, is breken met mijn gewoonte en eerlijker te zijn. Daarom biecht ik mijn grootste leugen op.

Ik ben geen vegetariër.

Mijn vriend is vegetariër. Uit luiheid eet ik vegetarisch omdat ik het zat ben om gescheiden te koken. Ondertussen fulmineer ik tegen vleeseters over de schadelijke effecten van de intensieve veehouderij. En ik lees hen de les over dat herkauwende koeien 18% van de schadelijke broeikasgassen de atmosfeer in ruften. En dat minder vlees eten dus dé oplossing is voor de opwarming van de aarde. Als ik op dreef ben dan krijgen ze er een preek over dierenleed bij. En dat terwijl ik tot een paar jaar geleden in restaurants nog doodleuk vlees en vis bestelde.

Of mijn lijf zich tegen mijn inconsequente gedrag keerde, of het was gewoon karma, geen idee, maar inmiddels verdraagt mijn maag geen vlees of vis meer. En daarbij, omdat ik gewend raakte aan de zachte structuur van tofu, ging het kauwen op een taai biefstuk me tegenstaan. Ik eet vegetarisch tegen wil en dank.

Bij hoge uitzondering eet ik soms het allerlekkerste stukje vlees ter wereld: een frikandel. Daarover voel ik me, geïndoctrineerd door het gedachtegoed van mijn vriend, behoorlijk schuldig. Ik praat het goed met het argument dat een frikandel bestaat uit restvlees, dat anders toch wordt weggegooid. Niet opeten vind ik nog zieliger voor die geslachte dieren.

Ik ben hypocriet, dat is het echte nieuws.

Blijf op de hoogte van nieuwe stukjes via Facebook of Twitter.

Lidl

Door mijn vrienden werd ik steeds meewariger aangekeken als ik vertelde dat ik boodschappen doe bij de Albert Heijn. Zij doen namelijk en masse de wekelijkse inkopen bij de Lidl. Uit de enthousiaste verhalen op te maken, waren zij met hun gezinnen ongeveer ingetrokken bij de Lidl. Ik voelde me een outcast met mijn AH-bonuskaartsleutelhanger.

Vanaf ongeveer 2004 was ik niet meer in de Lidl geweest. In mijn herinnering had de supermarkt een ongezellige Oost-Duitse uitstraling. De boodschappen moest je daar zelf uit grote kartonnen dozen grissen. Pallets vol pakken houdbare melk waren plompverloren ergens tegen een muur gezet. Bovendien was het altijd spannend of  je alle producten van het boodschappenlijstje kon aanschaffen. Aan dagelijkse benodigdheden, zoals een pot aardbeienjam, kon bij de Lidl een wekenlange schaarste zijn. De enige keren dat ik in de Lidl kwam, kocht ik er de weekaanbiedingen uit de reclamefolder. Meestal goedkope laptops van malafide afkomst.

Anno 2013 moest ik voor de vorm dus maar weer een keer naar de Lidl. Het is tenslotte crisis. Meteen bij binnenkomst viel me op dat de Lidl was gemoderniseerd. Je bent niet meer verplicht om een winkelwagentje te nemen, want er zijn tegenwoordig van die blauwe plastic mandjes. Ik nam er eentje mee. Er moesten toch minstens een paar aantrekkelijke producten te vinden zijn?

In het koelvak trof ik zowaar echte garnalen aan. Een hele verbetering ten opzichte van die onbestemde visfilets van vroeger, waarvan je alleen door de geur nog kon herkennen dat het van vis was gemaakt. Naast de vertrouwde, grote hompen jonge kaas, lagen er ook verfijnde blokjes Parmezaanse kaas. Zelfs bakjes hummus zaten in het Lidl-assortiment. Vroeger moest je als vegetariër tevreden zijn met een smakeloze bloemkool-kaasburger.

Niet alles bij de Lidl was veranderd. Ik was er op zaterdagmiddag om 15:00 uur. Het brood was op. Op de groente-afdeling lag er nog 1 beschimmelde paprika. En van cola tot vleeswaren, ik herkende geen enkele merknaam. Dat was ouderwets vertrouwd.

Toen ik in de buurt van de kassa kwam, was mijn winkelmandje nog leeg. De Lidl had dan een uitgebreider assortiment, met van elk product één soort. Dat ene bakje hummus vond ik nogal armoedig. De Albert Heijn heeft vier verschillende soorten hummus. Als de crisis ooit hard toeslaat in mijn huishouden, blijf ik trouw aan de Albert Heijn. Al kan ik me die duurdere producten financieel niet veroorloven, ik gun mijzelf het luxe gevoel dat er iets te kiezen valt.

Vegetariër

Het is een wonder dat mijn vriend bij me is gebleven nadat ik voor het eerst voor hem had gekookt. Het moet de entourage, een mooi gedekte tafel met kaarslicht, zijn geweest. Onmogelijk dat mijn kookkunsten hem hebben overtuigd.

Mijn vader heeft me geleerd een oerdegelijke Hollandse pot op tafel te zetten. Aardappels, groente met een stukje vlees. Ik had dus in paniek moeten raken toen bleek dat mijn vriend vegetariër was. In mijn naïviteit heb ik hem een plak tofu voorgeschoteld, die ik op dezelfde wijze had bereid als mijn zalmmoot. Gekruid met zout, peper, en wat verse dille, in twintig minuten afgebakken in de oven. Hij heeft zijn bord niet leeg gegeten. Nadat ik zelf een hap van de tofu had genomen, kon ik hem daar geen ongelijk in geven. De tofu had de smaak van opgewarmde rubber.

Andersom was het voor mij ook wennen aan het culinaire repertoire van mijn vriend. Voor wat een romantisch diner had moeten worden, kookte hij een gerecht met gebakken champignons bedekt door een grijzig prutje, dat voor roomsaus doorging. Het soort gerecht dat je tegenkomt op foto’s in smoezelige kookboeken uit de jaren zeventig. Dat is geen verwijt, hij heeft op dergelijke manier leren koken van zijn moeder. En toegegeven, dat grijze prutje smaakte beter dan het eruit zag. Toch, mijn oog wilde ook wat.

Na deze kennismaking met de vegetarische keuken was ik vastbesloten om carnivoor te blijven. Geen enkel probleem dat ik voor mijzelf in een apart pannetje een gehaktbal moest braden. Ik had me alleen verkeken op de reactie van mijn vriend, die nog nooit vlees of vis gegeten heeft. Een getergde blik nadat hij een pond half om half gehakt in de koelkast tegenkwam. Kokhalzende geluiden tijdens het bakken van visticks. ‘Hoe smaakt zo’n lapje lijk eigenlijk?’ vroeg hij aan mij, toen ik op een heerlijk stukje rosé gebakken biefstuk kauwde.

De doorslag gaf dat mijn vriend me urenlang weigerde te zoenen als ik vlees gegeten had. Als smoorverliefd schepsel verlangde ik voortdurend naar zijn kussen. Het was een gehaaide doch effectieve manier om mij tot het vegetarisme te bekeren.

Omdat ik nog enige ruggengraat heb, weigerde ik pertinent om zijn recepten voor nondescripte prakjes van seizoensgroenten, paddenstoelen en noten te bereiden. Ik wilde best vegetarisch eten, mits op enig niveau. En zo veranderde hij mij, naast in een hardcore vegetariër, ook in een kookboekenfetisjist.